Koninklijk Besluit: voorwaarden domeinconcessie

 

 

Titel
8 MEI 2014. – Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van domeinconcessies voor de bouw en de exploitatie van installaties voor hydro-elektrische energie-opslag in de zeegebieden waarin België rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het internationaal zeerecht

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 06-06-2014 nummer :   2014011353 bladzijde : 43599   BEELD
Dossiernummer : 2014-05-08/28
Inwerkingtreding : 16-06-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. – Definities
Art. 1
HOOFDSTUK II. – Selectie – en toekenningscriteria
Afdeling 1. – Selectiecriteria
Art. 2
Afdeling 2. – Criteria van toekenning
Art. 3-4
HOOFDSTUK III. – Indiening van de aanvragen
Art. 5
HOOFDSTUK IV. – Behandeling van de aanvragen
Art. 6-14
HOOFDSTUK V. – Verplichtingen van de titularissen van een domeinconcessie
Art. 15
HOOFDSTUK VI. – Wijziging, verlenging en overdracht van de domeinconcessie
Afdeling 1. – Wijziging
Art. 16-19
Afdeling 2. – Verlenging
Art. 20
Afdeling 3. – Overdracht
Art. 21
HOOFDSTUK VII. – Het vervallen en de intrekking van de domeinconcessie
Art. 22-25
HOOFDSTUK VIII. – Strafbepalingen
Art. 26
HOOFDSTUK IX. – Diverse en overgangsbepalingen
Art. 27-28

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. – Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit, moet verstaan worden onder :
1° “dagen” : kalenderdag;
2° “wet” : de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
3° “installatie” : elke installatie voor hydro-elektrische energie-opslag door secundaire productie van elektriciteit uit elektrisch gegenereerde waterkracht in de zeegebieden zoals bedoeld bij artikel 6/1 van de wet;
4° “richtlijn 2003/54/EG” : de richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van de richtlijn 96/92/EG”;
5° “commissie” : de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas opgericht bij artikel 23 van de wet en bij artikel 15 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten;
6° “betrokken administraties” : de administraties vertegenwoordigd in de raadgevende commissie opgericht bij het koninklijk besluit van 12 augustus 2000 in uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juni 1969 inzake de exploratie en de exploitatie van niet-levende rijkdommen van de territoriale zee en het continentaal plat;
7° “minister” : de federale Minister tot wiens bevoegdheid de Energie behoort;
8° “project” : elke door de concessiehouders beoogde bouw en exploitatie van een installatie;
9° ” afgevaardigde van de minister” : de ambtenaar die wordt aangeduid overeenkomstig [artikel 27]. <Erratum, B.St 07-08-2014,p. 57538>

HOOFDSTUK II. – Selectie – en toekenningscriteria

Afdeling 1. – Selectiecriteria

Art. 2. De selectiecriteria voor de aanvragen van domeinconcessies voor de bouw en uitbating van installaties in de zeegebieden waarin België zijn rechtsbevoegdheid kan uitoefenen zijn de volgende :
1° de aanwezigheid bij de aanvrager of in de schoot van de instantie die gelast is met de exploitatie, van een aangepaste functionele en financiële structuur die de mogelijkheid biedt preventieve maatregelen te plannen en toe te passen ten einde de betrouwbaarheid en de veiligheid van de productie-installatie te verzekeren en eveneens, desgevallend, te zorgen voor een buitendienststelling of definitieve stopzetting in optimale en veilige omstandigheden en met respect voor het milieu;
2° indien de aanvraag uitgaat van een vennootschap, of van vennootschappen, die een joint venture hebben afgesloten of van een tijdelijke vennootschappen of vennootschappen in deelneming :
a) oprichting ervan overeenkomstig de Belgische wetgeving, de wetgeving van een andere Lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die verbintenissen heeft aangegaan die gelijkaardig zijn met de voorwaarden opgelegd door het vergunningsstelsel en/of aanbestedingsstelsel die voortvloeien uit de richtlijn 2003/54/EG;
b) beschikking over een centrale administratie, een voornaamste vestiging of een maatschappelijke zetel in een Lidstaat van de Europese Unie of in een Staat ten aanzien waarvan verbintenissen zijn aangegaan die gelijkaardig zijn met deze die voortvloeien uit de richtlijn 2003/54/EG, op voorwaarde dat de activiteit van deze vestiging of maatschappelijke zetel een effectief en bestendig verband vertoont met de economie van deze Staat of Lidstaat;
3° afwezigheid in hoofde van de aanvrager van een toestand van faillissement zonder eerherstel, van vereffening of van elke situatie die het resultaat is van een gelijkaardige procedure die van kracht is in een nationale wetgeving of reglementering, evenals van een lopende procedure die tot dit resultaat zou kunnen leiden;
4° afwezigheid van gerechtelijke reorganisatie of van elke analoge situatie die het resultaat is van een procedure van dezelfde aard, die van kracht is in een nationale wetgeving of reglementering, tenzij de gerechtelijke organisatie of de analoge situatie onderworpen is aan voorwaarden die de ontwikkeling impliceren van de activiteiten die het voorwerp van de aanvraag uitmaken;
5° afwezigheid van veroordeling bij vonnis met kracht van gewijsde uitgesproken ten aanzien van de aanvrager, of het nu gaat over een natuurlijke persoon, over een rechtspersoon onder de voorwaarden bedoeld bij artikel 5 van het strafwetboek, of over een persoon die in de schoot van het bedrijf of de rechtspersoon die de aanvraag indient, een functie waarneemt van beheerder, zaakvoerder, directeur of zaakgelastigde, voor een misdrijf dat na de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 tot instelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, ten laste zou zijn gelegd van de rechtspersoon;
6° de beschikking over een voldoende financiële en economische draagkracht die wordt beoordeeld op basis van de documenten opgesomd in artikel 5, § 2;
7° de verbintenis tot samenstelling van voldoende waarborgen voor de dekking van het risico van burgerlijke aansprakelijkheid met betrekking tot de installatie, volgens de criteria die in het algemeen door de verzekeringsmaatschappijen worden toegepast;
8° de technische bekwaamheden van de aanvrager of van de onderneming die met de oprichting of de exploitatie van de installatie zal belast worden;
om hun technische bekwaamheden te beoordelen, wordt rekening gehouden met de volgende elementen :
a) de vermelding van voorgaande realisaties inzonderheid inzake elektriciteitsproductie, van mariene civiele bouwkunde en natuurinrichting, aan de hand waarvan de technische kennis kan worden geëvalueerd, op dit gebied of op een gelijkaardig gebied, gedurende de jaren die het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, voorafgaan;
b) de referenties, diploma’s en professionele titels van de belangrijkste kaderleden van het bedrijf en, in het bijzonder, van diegenen die de betrokken werkzaamheden opvolgen en leiden;
c) de technische middelen die men voor ogen heeft voor de realisatie van de werkzaamheden voor de bouw en de exploitatie van de installatie waarop de aanvraag betrekking heeft.

Afdeling 2. – Criteria van toekenning

Art. 3. De criteria van toekenning van de domeinconcessies met het oog op de bouw en de exploitatie van installaties in de zeegebieden waarover België zijn rechtsbevoegdheid kan uitoefenen zijn de volgende :
1° de gelijkvormigheid van de installatie met het technisch reglement van het transmissienet, genomen in uitvoering van artikel 11 van de wet, of in voorkomend geval, van het technisch reglement van het distributienet;
2° de invloed van de installatie op de toegestane activiteiten in de zeegebieden krachtens een andere wetgeving of reglementering;
3° de kwaliteit van het project op technisch en economisch gebied, inzonderheid door de toepassing van de beste beschikbare technologieën;
4° de kwaliteit van het voorgelegde plan inzake uitbating en onderhoud;
5° het voorstel van technische en financiële bepalingen voor de behandeling en het weghalen van installaties wanneer zij definitief buiten gebruik worden gesteld; deze bepalingen omvatten inzonderheid de samenstelling van een reserve die wordt geheven op de exploitatieresultaten en die wordt gecontroleerd door de afgevaardigde van de Minister met het oog op het waarborgen van een herbestemming van het eiland;
6° de lokalisatie van de installatie binnen de zoekzone bepaald in artikel 4;
7° de kwaliteit van de actieve natuurbeheersmaatregelen die worden ontwikkeld;
8° de sterkte van het consortium op technisch, economisch en maatschappelijk vlak.

Art. 4. De zones bestemd voor de inplanting van installaties zijn bepaald in de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België en haar uitvoeringsbesluiten.

HOOFDSTUK III. – Indiening van de aanvragen

Art. 5. § 1. De aanvraag van een domeinconcessie voor de bouw en de exploitatie van installaties in de zeegebieden waarin België zijn rechtsbevoegdheid kan uitoefenen, wordt gericht aan de afgevaardigde van de minister per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs.
De aanvrager doet voor zijn aanvraag keuze van woonst in België.
De aanvraag wordt ingediend door middel van een verzoekschrift in drie exemplaren.
§ 2. De aanvraag bevat :
1° naam, voornaam, beroep, woonplaats en nationaliteit van de aanvrager;
2° indien het gaat over een vennootschap, de handelsnaam of benaming, de juridische vorm, de maatschappelijke zetel en desgevallend de statuten ervan alsook de documenten waarin de bevoegdheid van de ondertekenaars van de aanvraag wordt bevestigd; indien het gaat om een joint venture dient elk der contractspartijen deze informatie mee te delen;
3° een algemene nota met het voorwerp en een globale beschrijving van het project alsook de voorzieningen voor de uitbating en het onderhoud van de installatie;
4° een afzonderlijke nota die beantwoordt aan elk van de selectie en toekenningscriteria die in de artikelen 2 en 3 zijn bedoeld;
5° een dieptekaart in projectie WG S84 op schaal 1/100.000 met aanduiding van de volgende elementen :
a) aanduiding voor welk concessiegebied de aanvraag wordt ingediend met verduidelijking van de lokalisering van de installatie;
b) het geplande tracé voor de kabels voor de transmissie van elektriciteit;
6° een nauwkeurig plan ten hoogste op schaal 1/10.000 van de inplanting van de geplande installaties en dit over een afstand van vijfhonderd meter te rekenen vanaf de uiterste grens van de installaties;
7° een nota met de beschrijving van de uit te voeren bouw- en exploitatie-activiteiten, de bij elke etappe aangewende technische middelen alsook de toepassing ervan, incluis de planning van al deze activiteiten;
8° een technische nota die de kenmerken van de installatie van tijdelijke elektriciteitsopslag en productie van secundaire energie beschrijft, in aanmerking genomen de criteria van toekenning en die inzonderheid de volgende informatie bevat :
a) de geïnstalleerde netto opslagcapaciteit en de bedrijfszekerheid van de installatie;
b) het ontwikkelingsplan van het project, jaar per jaar gedurende de duur van de concessie;
c) het plan van inplanting op het openbare domein, jaar per jaar gedurende de duur van de concessie;
d) een raming van de energie die per jaar kan worden opgenomen, opgeslagen en terug vrijgegeven tijdens de duur van de concessie, rekening houdend met het ontwikkelingsplan van het project;
e) de kenmerken van de elektrische uitrustingen voor de aansluiting van de installaties op het net;
9° de actieve natuurbeheersmaatregelen die worden ontwikkeld die aantonen hoe de natuurwaarde wordt gemaximaliseerd;
10° de nodige documenten om de financiële en economische draagkracht van de aanvrager te beoordelen vermeld in artikel 2, 6° met name :
a) een eensluidend afschrift van de goedgekeurde jaarrekeningen die zijn neergelegd bij de griffie van de rechtbank van koophandel en bij de balanscentrale van de Nationale Bank of van om het even welk gelijkaardig organisme in het buitenland, alsook van een afschrift van de jaarrekeningen van de laatste drie jaren, indien deze beschikbaar zijn;
b) de balansen en de voor de vijf volgende jaren voorziene resultaatrekeningen, waarin de geplande investering opgenomen is;
c) de interne en/of externe bronnen van financiering, alsook de verdeling van hun gebruik in de loop van de vijf jaren vanaf het begin van de realisering van de geprojecteerde investering;
11° de nodige documenten die aantonen dat er voldoende waarborgen zullen zijn ter dekking van het risico van burgerlijke aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 2, 7° en artikel 15, 12°.
§ 3. De afgevaardigde van de minister kan bijkomende kopieën opvragen van alle of een gedeelte van de documenten bedoeld in § 2.

HOOFDSTUK IV. – Behandeling van de aanvragen

Art. 6. § 1. De afgevaardigde van de minister gaat na of de aanvraag alle in artikel 5 bedoelde documenten bevat
§ 2. Als de aanvraag volledig is, wordt ze door de zorg van de afgevaardigde van de minister in een register van concessieaanvragen ingeschreven, binnen zeven dagen volgend op de ontvangst van de aanvraag.
De inschrijving vermeldt het voorwerp van de aanvraag en verwijst naar de documenten die met toepassing van artikel 5 bij de aanvraag zijn gevoegd.
De aanvrager ontvangt een kennisgeving van de inschrijving.
§ 3. In geval van onvolledigheid van de aanvraag, meldt de afgevaardigde van de minister aan de aanvrager welke informatie of welke documenten ontbreken en wordt de aanvrager een termijn van 7 dagen verleend om de aanvraag alsnog te vervolledigen. Deze termijn gaat in de dag volgende op de datum van verzending van het verzoek tot informatie van de afgevaardigde van de minister. Tijdens deze termijn wordt de inschrijving van de aanvraag in het register van de concessieaanvragen geschorst.

Art. 7. Binnen vijftien dagen die volgen op de inschrijving bedoeld in artikel 6, § 2, wordt de aanvraag door de zorg van de afgevaardigde van de minister bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad en in drie kranten waardoor de informatieverspreiding ten minste het volledig nationaal grondgebied bestrijkt.
De bekendmaking bevat het voorwerp van de aanvraag en vermeldt de plaats waar inlichtingen kunnen worden ingewonnen betreffende de locatie van de door de aanvrager beoogde installatie.
De kosten van bekendmaking zijn ten laste van de commissie.

Art. 8. Elke belanghebbende kan een aanvraag tot mededinging betreffende het bekomen van een domeinconcessie voor dezelfde locatie indienen.
De aanvragen worden bij aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de afgevaardigde van de minister ter kennis gebracht, binnen negentig dagen volgend op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bedoeld in artikel 7.
De aanvraag tot mededinging wordt ingediend in de vorm bepaald in artikel 5 en maakt het voorwerp uit van een onderzoek overeenkomstig artikel 6. Zij maakt echter niet het voorwerp uit van de bekendmaking vermeld in artikel 7 en wordt onmiddellijk behandeld overeenkomstig de volgende artikelen.

Art. 9. § 1. Indien er geen aanvragen tot mededinging ingediend werden, wordt de aanvraag door de afgevaardigde van de minister binnen honderd dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bedoeld in artikel 7, aan de betrokken administraties en aan de commissie bezorgd. Indien er aanvragen tot mededinging ingediend werden, worden alle aanvragen binnen zeven dagen na inschrijving van de laatste aanvraag in het register bedoeld in artikel 6, § 2, aan de betrokken administraties en aan de commissie gezonden. Die administraties en de commissie onderzoeken binnen vijfentwintig dagen of de elementen van het dossier hen toelaten zich ten gronde uit te spreken.
Op verzoek van de betrokken administraties en de commissie vraagt de afgevaardigde van de minister binnen tien dagen, aan de aanvrager de bijkomende inlichtingen die voor hun onderzoek nodig zijn. Deze inlichtingen dienen binnen de vijftien dagen aangeleverd te worden. In dit geval wordt de termijn voorgeschreven bij artikel 10 verlengd met een duur gelijk aan de termijn waarbinnen de aanvrager antwoordt.
§ 2. Elke belanghebbende kan een bezwaarschrift indienen tijdens de periode van 100 dagen vermeld in paragraaf 1.

Art. 10. De betrokken administraties, de commissie en de beheerder van het transmissienet evalueren het technisch dossier dat met betrekking tot de aanvraag is aangelegd. Ze brengen hun advies uit binnen dertig dagen nadat de zaak bij hen aanhangig werd gemaakt. In het advies kan het opleggen van technische voorwaarden worden voorgesteld, inzonderheid in verband met de maatregelen als bedoeld bij artikel 15, 6°.

Art. 11. Binnen vijftien dagen na indiening van de adviezen krachtens artikel 10, of, bij gebrek aan adviezen, bij het verstrijken van de in die bepaling bedoelde termijn, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 9, tweede lid, brengt de afgevaardigde van de minister zijn voorstel tot het toekennen van een domeinconcessie of zijn voorstel tot weigering, alsook het geheel van het dossier dat hiermee verband houdt, inzonderheid de stukken bedoeld onder artikel 5, § 2, de bezwaarschriften bedoeld in artikel 9, § 2, en de adviezen van de betrokken administraties en de commissie ter kennis aan de minister.
Indien de afgevaardigde van de minister een toekenning voorstelt van domeinconcessie, zal deze, in gevallen van aanvraag tot mededinging, zijn keuze rechtvaardigen op basis van de selectiecriteria van artikel 2 en de criteria van toekenning van artikel 3.

Art. 12. Het koninklijk besluit tot toekenning van de domeinconcessie, genomen na overleg in de Ministerraad, wordt via aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de aanvrager, van de commissie, van de beheerder van het transmissienet en de betrokken administraties, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het voorstel van de afgevaardigde van de minister. Dit gebeurt via koninklijk besluit bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Desgevallend vermeldt dit besluit bijzondere voorwaarden van toekenning.
Indien de Koning beslist de domeinconcessie niet toe te kennen, worden de aanvrager, de commissie, de beheerder van het transmissienet en de betrokken administraties daarvan in kennis gesteld bij aangetekend schrijven, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de ontvangst van het voorstel van de afgevaardigde van de minister.

Art. 13. Wanneer voor de installatie die het voorwerp uitmaakt van een domeinconcessie, één of meer bijkomende vergunningen of machtigingen zijn vereist op grond van een andere wetgeving, blijft de betekende domeinconcessie geschorst totdat iedere bijkomend vergunning of machtiging is verleend en totdat kennisgeving overeenkomstig de toepasselijke wetgeving is gebeurd. Indien een van de bijkomend vereiste vergunningen of machtigingen definitief is geweigerd, vervalt de betekende domeinconcessie op de dag van de kennisgeving van deze weigering.

Art. 14. De domeinconcessie wordt verleend voor een bepaalde duur, die beperkt is tot ten hoogste vijftig jaar. Zij kan verlengd worden zonder een totale duur van vijfenzeventig jaar te overschrijden.

HOOFDSTUK V. – Verplichtingen van de titularissen van een domeinconcessie

Art. 15. De titularissen van een domeinconcessie :
1° maken, indien de statuten van de vennootschap of de contractuele bepalingen met betrekking tot de oprichting van een joint venture, tijdelijke vereniging of vereniging in deelneming, ten gunste waarvan de concessie is verleend en die van toepassing waren op het moment van de concessieaanvraag, aanzienlijk gewijzigd worden, aan de afgevaardigde van de minister deze wijzigingen over evenals, in voorkomend geval, het proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering die daartoe heeft beslist;
2° lichten de afgevaardigde van de minister voorafgaandelijk in over elk plan tot wijziging van de rechtspersoon, titularis van de concessie, door middel van herverdeling van aandelen, of op enige andere wijze, waardoor de controle op de rechtspersoon wijzigt of waardoor er een gehele of gedeeltelijke overdracht plaatsvindt aan derden van de rechten die voortvloeien uit het bezit van de concessie;
3° informeren de commissie en de afgevaardigde van de minister over elke wijziging betreffende de technische en financiële elementen, vermeld in het oorspronkelijk dossier op basis waarvan de concessie werd toegestaan;
4° starten de exploitatiefase van de installatie, of desgevallend, de demonstratiefase, indien deze noodzakelijk is en gerechtvaardigd wordt bij de afgevaardigde van de minister en de betrokken administraties, binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving van de concessie of indien deze op een latere datum plaatsvindt, vanaf de dag waarop kennisgeving wordt gegeven van de laatste vergunning of machtiging krachtens een andere wetgeving;
5° kunnen de exploitatie van een aanzienlijk gedeelte van de installatie niet gedurende meer dan een jaar stilleggen tenzij er wettige, grondige technische redenen zijn, omwille van overmacht of omwille van economische redenen zoals vastgesteld door een commissaris-revisor;
6° treffen alle noodzakelijke maatregelen voor de bescherming van de openbare veiligheid, zowel tijdens de bouw als tijdens de exploitatie van de installatie en bij de stopzetting ervan of er nu al dan niet wordt afgezien van de concessie;
7° bouwen een permanent systeem uit voor de evaluatie en de controle van de verplichtingen bedoeld in 6;
8° treffen alle maatregelen ter bescherming en behoud van het marien milieu, zoals bepaald door de vergunning of de machtiging verleend krachtens artikel 25 van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het marien milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;
9° treffen tijdens de bouw en gedurende de uitbatingsfase alle nodige maatregelen inzake signalisatie en lichtbakens, die voorgeschreven zijn door de van kracht zijnde wetgevingen en reglementeringen om het risico te voorkomen dat schepen, luchtschepen en andere drijvende of vliegende toestellen met de installaties zouden in botsing komen;
10° voorzien de inplanting van de installaties zodat het toegekende domein zo intensief mogelijk wordt gebruikt, rekening houdend met de toegepaste technologie en de actieve natuurmaatregelen die kunnen ontwikkeld worden;
11° bouwen de installaties volgens de normen en reglementen die van toepassing zijn in België, op een wijze die de uitbating, het onderhoud en alle andere tussenkomsten op een veilige manier toelaten;
12° beschikken over voldoende waarborgen voor de dekking van het risico van burgerlijke aansprakelijkheid ten gevolge van de nieuwe installatie, volgens de criteria die in het algemeen door de verzekeringsmaatschappijen worden toegepast en brengen de afgevaardigde van de minister op de hoogte van elke wijziging van voornoemde waarborgen;
13° kiezen of passen de statuten aan van de residente vennootschap ten gunste waarvan de vergunning is toegekend en waarvan de activiteit hoofdzakelijk of bijkomstig bestaat uit de opslag van elektriciteit met het oog op de verkoop ervan, derwijze dat deze vennootschap belastingplichtig is in het kader van de vennootschapsbelasting;
14° bezorgen jaarlijks en op vraag aan de minister of zijn afgevaardigde de nodige administratieve gegevens om België toe te laten te voldoen aan zijn verplichtingen inzake het meedelen van informatie aan de Europese Commissie, die voortvloeien uit de richtlijnen betreffende de organisatie of de werking van de elektriciteitsmarkt;
15° verstrekken jaarlijks aan de afgevaardigde van de minister de technische gegevens inzake de werking van de installaties met het oog op de voorbereiding van de prospectieve studie.

HOOFDSTUK VI. – Wijziging, verlenging en overdracht van de domeinconcessie

Afdeling 1. – Wijziging

Art. 16. § 1. De bepalingen van de hoofdstukken III en IV zijn van toepassing op de aanvragen tot wijzigingen van de domeinconcessie.
§ 2. In afwijking van § 1, voorzien de bepalingen van de artikelen 17 tot 19 een vereenvoudigde procedure voor elke aanvraag tot wijziging van technische en financiële elementen van de domeinconcessie, wanneer de concessiehouder het volgende verantwoordt :
1° hetzij van het marginaal karakter van de overwogen wijzigingen;
2° hetzij de verplichting zo te handelen omwille van dwingende technische redenen, onafhankelijk van zijn wil en die niet konden ontdekt worden bij het toekennen van de domeinconcessie;
3° hetzij de verplichting daarop een beroep te doen om zich te schikken naar een van de verplichtingen voorgeschreven in artikel 15.
De procedure die voorzien is in de hoofdstukken III en IV, blijft echter van toepassing indien bij het toekennen van de domeinconcessie, één of meerdere concurrerende aanvragen werden ingediend en voor zover dat de aanvraag tot wijziging gebeurt binnen een termijn die minder dan één jaar bedraagt, vanaf de toekenning van de domeinconcessie en voor zover dat de overwogen wijziging een invloed zou kunnen hebben op de vergelijking van de aanbiedingen bij de toekenning van de concessies.

Art. 17. § 1. In geval van een vereenvoudigde procedure, wordt de aanvraag tot wijziging van de domeinconcessie gericht aan de afgevaardigde van de minister, bij een ter post aangetekende schrijven met een ontvangstbewijs. De aanvraag wordt in twee exemplaren en per elektronische post gestuurd.
De aanvraag wordt vergezeld van een nota die minstens de volgende elementen omvat :
1° een opgave van de overwogen wijzigingen;
2° de reden waarom de vereenvoudigde procedure van toepassing is, ten opzichte van het artikel 16, § 2;
3° de veranderingen die de voorziene wijzigingen inhouden, in vergelijking met het dossier voor de aanvraag van de domeinconcessie;
4° de redenen waarom de criteria voor selectie en toekenning, bedoeld in de artikelen 2 en 3, vervuld blijven.
§ 2. De afgevaardigde van de minister onderzoekt of de aanvraag het geheel van de elementen omvat, die bedoeld zijn in § 1.
Indien de aanvraag volledig is, wordt ze ingeschreven in een register van aanvragen tot wijziging en verlenging van de concessies, door de zorg van de afgevaardigde van de minister, binnen een termijn van zeven dagen volgend op de ontvangst van de aanvraag.
De inschrijving vermeldt het voorwerp van de aanvraag en verwijst naar de documenten, bijgevoegd bij de aanvraag, in toepassing van § 1.
De verzoeker krijgt kennisgeving van de inschrijving.
§ 3. Indien de aanvraag onvolledig is, signaleert de afgevaardigde van de minister, binnen een termijn van zeven dagen volgend op de ontvangst van de aanvraag per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs aan de aanvrager, welke informatie of documenten ontbreken. De afgevaardigde van de minister verleent hem een termijn van zeven dagen om de aanvraag te vervolledigen. De termijn begint op de dag volgend op de datum van ontvangst van de vraag naar informatie van de afgevaardigde van de minister. Gedurende deze termijn, wordt de inschrijving van de aanvraag in het register van aanvragen tot wijziging en verlenging van concessies, geschorst.
§ 4. De afgevaardigde van de minister kan bijkomende kopieën eisen van alle documenten bedoeld in § 1 of van een gedeelte ervan.

Art. 18. § 1. Binnen twintig dagen volgend op de inschrijving in het register van de aanvragen tot wijziging en verlenging, maakt de afgevaardigde van de minister, na de beheerder van het transmissienet te hebben geïnformeerd en de commissie te hebben geraadpleegd, zijn voorstel tot wijziging of zijn voorstel tot weigering en het geheel van het daarop betrekking hebbende dossier, over aan de minister.
Het advies van de commissie wordt aan de afgevaardigde van de minister bezorgd binnen de vijftien dagen die volgen op de ontvangst van de aanvraag. De termijn voorgeschreven bij het eerste lid wordt verlengd met een duur die gelijk is aan de termijn waarbinnen de commissie geantwoord heeft of bij ontstentenis van advies, met een duur van vijftien dagen.
§ 2. Indien nodig kan de afgevaardigde van de minister, vooraleer zijn voorstel te sturen, het advies vragen van een of meerdere betrokken administraties. In dit geval maakt hij het dossier tot wijziging van de domeinconcessie over aan de geraadpleegde overheid.
Binnen vijftien dagen nadat zij gevat is, brengt de geraadpleegde overheid haar advies uit. De termijn voorgeschreven bij § 1, eerste lid, wordt verlengd met een duur die gelijk is aan de termijn waarbinnen de geraadpleegde overheid geantwoord heeft of bij ontstentenis van advies, met een duur van vijftien dagen.

Art. 19. § 1. Het koninklijk besluit tot wijziging van de domeinconcessie, genomen na overleg in de Ministerraad, wordt per aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de aanvrager, van de commissie, van de beheerder van het transmissienet en van de betrokken administraties, binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangstdatum van het voorstel van de minister. Dit koninklijk besluit wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Desgevallend vermeldt dit besluit bijzondere voorwaarden van toekenning.
§ 2. Indien de Koning beslist om de aanvraag tot wijziging van de domeinconcessie te weigeren, worden de aanvrager, de commissie, en de beheerder van het transmissienet hiervan per aangetekend schrijven in kennis gesteld, binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het voorstel van de afgevaardigde van de minister. De betrokken administraties worden hiervan in dezelfde voorwaarden geïnformeerd indien zij werden geraadpleegd in toepassing van artikel 18, § 2.

Afdeling 2. – Verlenging

Art. 20. De bepalingen van de artikelen 17 tot 19 zijn van toepassing op de aanvragen tot verlenging van de domeinconcessie, na advies van de commissie, van de beheerder van het transmissienet en van de betrokken administraties.
Enkel de aanvragen tot verlenging die tenminste twee jaar voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de concessie werden overgedragen zijn ontvankelijk.
Het advies bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt binnen de 30 dagen.

Afdeling 3. – Overdracht

Art. 21. De aanvraag tot verkoop, gehele of gedeeltelijke overdracht, verdeling en verhuur van de domeinconcessie moet aan de afgevaardigde van de minister ter kennis worden gebracht. De concessiehouder mag geen gevolg geven aan dit plan, voor het verstrijken van een termijn van vijfenzeventig dagen, tijdens dewelke de minister, na advies van de commissie en op voorstel van de afgevaardigde van de minister, aan de titularis van de concessie kan betekenen dat deze verrichting onverenigbaar is met het behoud van de domeinconcessie. De kandidaat-overnemer van de concessie is onderworpen aan de selectiecriteria opgesomd in artikel 2. De verplichtingen en voorwaarden betreffende de concessie zijn tegenstelbaar aan de nieuwe begunstigde.

HOOFDSTUK VII. – Het vervallen en de intrekking van de domeinconcessie

Art. 22. De rechten die met de domeinconcessie verbonden zijn, eindigen door het vervallen van de concessie of door intrekking van deze titel wegens vervallenverklaring of verzaking door de titularis.

Art. 23. De intrekking wegens vervallenverklaring van de domeinconcessie kan worden uitgesproken door de minister, ingeval de voorgeschreven verplichtingen en voorwaarden niet zijn nageleefd.
De afgevaardigde van de minister richt bij een ter post aangetekende brief een ingebrekestelling aan de titularis van de concessie, waarin een termijn wordt vastgelegd die niet korter mag zijn dan vijfenzeventig dagen, hetzij om te voldoen aan zijn verplichtingen en de voorwaarden inzake exploitatie, hetzij om uitleg te verschaffen.
Bij het verstrijken van deze door de afgevaardigde van de minister verleende termijn, stuurt deze desgevallend zijn voorstel tot intrekking en het desbetreffende dossier naar de minister. De beslissing van de minister houdende de intrekking van de domeinconcessie wordt via aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de concessiehouder van de commissie, van de beheerder van het transmissienet en van de betrokken administraties.

Art. 24.De aanvraag tot verzaking aan de concessie wordt aan de afgevaardigde van de minister gericht.
De aanvaarding van een verzaking is desgevallend onderworpen aan de uitvoering van de maatregelen vereist krachtens artikel 15, 6° en artikel [25]. <Erratum, B.St 07-08-2014,p. 57538>
De aanvaarding van een verzaking wordt door de minister uitgesproken, op voorstel van zijn afgevaardigde .
De beslissing van de minister houdende de aanvaarding van de verzaking van de domeinconcessie wordt via aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de concessiehouder van de commissie, van de beheerder van het transmissienet en van de betrokken administraties.

Art. 25. Bij het vervallen of in geval van intrekking ten gevolge van vervallenverklaring of verzaking worden de maatregelen die voorgeschreven zijn voor het definitief buiten gebruik stellen en het weghalen van de installatie, voor het beveiligen van de betrokken zone en voor het behoud en de bescherming van het marine milieu, verwezenlijkt door de titularis van de domeinconcessie en onder zijn verantwoordelijkheid.
Mits akkoord van de minister na advies de betrokken administraties en van de commissie en in functie van de evolutie van de technieken kunnen ook andere maatregelen worden toegepast dan die welke bij de toekenning van de domeinconcessie voorzien zijn en die ten minste een evenwaardig resultaat garanderen.

HOOFDSTUK VIII. – Strafbepalingen

Art. 26. De inbreuken op de bepalingen van artikel 15 worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot zes maanden en met een geldboete van vijftig euro tot vierhonderd vijfennegentig euro achtenzeventig eurocent of met één van die straffen alleen.

HOOFDSTUK IX. – Diverse en overgangsbepalingen

Art. 27. De minister duidt onder de ambtenaren van de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, de afgevaardigden aan die belast worden met :
1° hem te vertegenwoordigen in de gevallen bedoeld in dit besluit;
2° het toezicht op de toepassing van dit besluit.

Art. 28. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Noordzee en Onze Staatssecretaris voor Energie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 8 mei 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van de Noordzee,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET
De Staatssecretaris voor Energie,
M. WATHELET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, inzonderheid op artikel 6/1;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 12 februari 2014;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 13 februari 2014;
Gelet op het advies van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas gegeven op 4 juli 2013;
Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikel 3, § 1;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
Overwegende dat de Koning uitvoering moet geven aan artikel 3 van de wet van 8 mei 2014 houdende diverse bepalingen inzake energie; dat de uitvoering door de Koning hoogdringend is aangezien dit besluit van essentieel belang is voor het garanderen van de bevoorradingszekerheid en het behalen van de hernieuwbare energiedoelstellingen van het land tegen 2020;
Overwegende dat opslag van elektriciteit van cruciaal belang is gelet op het steeds toenemende intermitterende karakter van de elektriciteitsproductie door wind- of fotovoltaïsche energie. De productie van elektriciteit uit wind op de Noordzee in de komende jaren zal stijgen van 676,2 MW tot 2160 MW en dit een belangrijk onderdeel vormt voor het behalen van de hernieuwbare energiedoelstellingen van het land tegen 2020;
Overwegende dat er thans bij overschotten door hoge elektriciteitsproductie door wind- en fotovoltaïsche energie reeds negatieve prijzen werden opgetekend op de Belgische day ahead -en balancing markten;
Overwegende dat er tegen 2018 in hoofde van de netbeheerder een substantiële stijging zal zijn van de behoeften aan ondersteunende diensten teneinde het evenwicht van het net te garanderen. Indien er niet voldoende beschikbare middelen voor levering van reserves voorhanden zijn, de transmissienettarieven te betalen door de consument substantieel zullen stijgen en een negatieve impact zal hebben op de veiligheid van het net;
Overwegende dat de overheid voor installaties voor hydro-elektrische energieopslag in de Noordzee geen enkele publieke financiële steun of subsidie zal verlenen, en dat er bijgevolg dringend rechtszekerheid moet gecreëerd worden opdat private investeerders kunnen investeren en aanvangen met de constructie van dergelijke installaties;
Overwegende dat bij het volgen van de gewone procedure het regelgevend kader ten vroegste pas binnen een aantal maanden in werking kan treden waardoor voor de mogelijks geïnteresseerde investeerders de start van dit project te lang wordt uitgesteld om alsnog tijdig tot een resultaat te komen;
Op de voordracht van de Minister van Economie, Consumenten en Noordzee en de Staatssecretaris voor Energie en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Erratum Tekst Begin

 

BEELD
2014011436
PUBLICATIE :
2014-08-07
bladzijde : 57538

versie

Advertenties